Verlichting

Verlichting: een energiebewuste keuze

De dagen van de traditionele gloeilamp zijn geteld. Europa wil dat de energieverslindende lichtbronnen op termijn uit de winkelrekken verdwijnen. Zuinigere alternatieven zijn er intussen voldoende. Maar wat dan kiezen? We zetten alle mogelijkheden met hun eigenschappen op een rijtje.


Het was de Duitser Heinrich Göbel die in 1854 “Eureka” mocht roepen toen de bamboevezel in zijn vacuüm gezogen eau-de-colognefles begon te gloeien. Velen na hem experimenteerden met oplossingen om draden te laten gloeien en zo licht in het donker te brengen. Het was uiteindelijk de Amerikaan William Coolidge die in 1910 gloeidraden uit wolfraam wist te trekken. De gloeilamp was geboren. In feite geven de gloeidraden pas licht wanneer we ze voldoende opwarmen, eenvoudigweg door er elektrische stroom door te sturen. En met die uitleg kaarten we meteen één van de grootste pijnpunten van de gloeilamp aan. Om licht uit te stralen, wordt er ook warmte geproduceerd. En veel warmte mogen we zelfs zeggen, want amper 5 à 10 % van de elektriciteit wordt omgezet in licht. Bijkomend nadeel is de levensduur van de gloeilamp. De gloeidraad in de glazen ballon warmt op. Omdat de glazen ballon luchtledig is, verbrandt de gloeidraad niet maar toch wordt hij langzaam dunner… tot er een plekje zo dun wordt dat de draad breekt. Lamp uit!
Er is veel keuze in uitvoeringen van gloeilampen: heldere, matte, gekleurde, voorzien van een spiegelreflector,… Maar dat zal niet lang meer zo blijven. Sinds september 2009 zijn reeds alle gloeilampen met een vermogen ≥ 100W uit de handel verdwenen. Stapsgewijs zullen in de daarop volgende jaren ook de andere varianten met een energielabel van C tot G verdwijnen.

Halogeenprobleem

De halogeenlamp borduurt verder op de technologie van de gloeilamp. Daar waar deze laatste in feite een luchtledige of met een niet-reactief gas gevulde glasballon is, wordt er halogeengas als vulling gebruikt bij een halogeenlamp. Dat gas verbindt zich met de verdampte gloeidraaddeeltjes en zorgt ervoor dat deze deeltjes zich opnieuw met de gloeidraad verbinden waardoor de lamp dus een langere levensduur krijgt. De halogeenlampen zijn beschikbaar in een laag (12V) en hoog (230V) vermogen. De lampen op laag vermogen werken op een transformator en zijn energiezuiniger dan de tegenhanger op hoog vermogen. Wie nog beter wil doen, kan opteren voor de ecohalogeenlampen. Die zijn ook beschikbaar in 12V en 230V, maar verbruiken beduidend minder energie. Ze kunnen dan ook een energielabel C of B voorleggen.
Van de meeste halogeenlampen op 230V kan gezegd worden dat ze niet echt veel licht produceren – ongeveer 10 % van de elektriciteit wordt omgezet in licht –, een korte levensduur hebben en eigenlijk te mijden zijn. Dimmen is de enige manier om hun levensduur te verlengen en op het energieverbruik te sparen. Let er dan wel op dat u niet continu dimt, want dat komt de levensduur ook niet ten goede.
De halogeenspots kunnen intern voorzien worden van een infraroodreflectielaagje – de InfraRedCoating-techniek – waardoor de levensduur met een kwart tot de helft verlengd wordt. Bovendien geven deze lampen 25 tot 50 % meer licht. Of anders gezegd: een halogeenspot van 35W met deze techniek geeft evenveel licht als een klassiek spotje van 50W. Weet wel dat u al snel een kwart meer betaalt voor spots met deze coating.
Nog belangrijk om weten is dat spots – ook die met led-technologie – een gebundeld licht voortbrengen. Hierdoor zijn ze in feite enkel geschikt als accentverlichting en niet voor functionele of hoofdverlichting. Hiertegen wordt vaak gezondigd.

Verlichtend gas

Gezien de fragiele gloeidraad en het lage lichtrendement – het overgrote deel van de elektriciteit wordt omgezet in warmte – zochten en vonden de verlichtingsproducenten in de jaren 30 al een alternatieve techniek: de gasontladingslampen. In plaats van een gloeidraad is het hier een gasmengsel dat oplicht onder invloed van elektrische stroom. Afhankelijk van de druk van het vulgas kunnen deze lampen worden opgedeeld in hogedruk- of lagedrukgasontladingslampen.
De tl- of fluorescentielamp is zo’n lamp met gasontlading bij lage druk. Heel concreet zorgt een elektronische ontlading ervoor dat het gas oplicht. De tl-lampen van de oude generatie flikkeren nog bij dit opstartproces of wanneer ze het einde van hun levensduur hebben bereikt. De nieuwe varianten hebben elektronische voorschakelapparatuur waardoor ze heel snel hun licht geven en niet meer knipperen bij het opstarten.
De levensduur van tl-lampen overtreft die van gloei- en halogeenlampen en bovendien zijn ze vier tot vijf maal zuiniger. Ze zijn met andere woorden de absolute kampioen om het huis op een ecologische manier te verlichten. Zeker wanneer u kiest voor T5. Deze fluorescentielamp heeft een hoger rendement omdat tijdens zijn levensduur de lichtopbrengst niet afneemt.
Een andere troef van fluorescentielampen is de aanpasbare lichtkleur. Die kan variëren van koud, wit licht tot warm, gelig licht. De fabrikant kan de lichtkleur beïnvloeden in de samenstelling van het fluorescerende poeder in de lamp. Zelfs dimmen van tl-verlichting is mogelijk op voorwaarde dat er een dimbaar elektronisch voorschakelapparaat wordt gebruikt. Zo kunt u de sfeer in huis nog verder sturen.

Compacte fluolamp (spaarlamp)

Wat in de volksmond al jarenlang bekend staat als spaarlamp, is in het vakjargon een compacte fluolamp. Dit is een betere benaming, want de compacte fluolamp is lang niet meer de enige ‘spaar’lamp. Denk maar aan de led. Europa heeft in zijn richtlijn overigens bepaald dat alle lampen met een A-energielabel de naam ‘spaarlamp’ mogen dragen.
De compacte fluolampen zouden op korte termijn de rol van de gloeilamp moeten overnemen als functionele verlichting. Dat betekent dat ze voor kunstlicht zorgen op plaatsen waar u veel licht nodig heeft. We denken dan aan de woon- of eetkamer, de keuken,… Een compacte fluolamp is een stuk duurder dan een gloeilamp maar ze brandt wel zes tot twaalf maal langer.
Compacte fluolampen kregen heel lang een negatieve stempel opgedrukt: ze zijn niet mooi, geven een kil licht, starten traag op,… Maar op al die problemen heeft de verlichtingsindustrie vandaag een antwoord gevonden. Een compacte fluolamp koop je vandaag in peer- of bolvorm, de nieuwere types starten op zonder knipperen, geven een veel warmer licht en kunnen zelfs gedimd worden met een aangepaste, ingebouwde technologie.

Goed om weten is dat de compacte fluolampen die sneller hun maximale lichtstroom bereiken, een kortere levensduur hebben. Er is een ecodesign regelgeving die eisen oplegt voor het gebruikscomfort van huishoudelijke lampen en daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen compacte fluolampen en andere lampen. Van een compacte fluolamp verwacht de regelgeving dat ze opstart binnen twee seconden en dat ze binnen één minuut 60 % van de maximale lichtstroom bereikt. Dat waren de belangrijkste parameters voor het comfort.
De eerste generatie compacte fluolampen was ook gevoelig voor het veelvuldig aan- en uitschakelen. Een Europese richtlijn legt de fabrikanten daarom een minimumeis op inzake het aantal schakelcycli. Zo moeten lampen minimaal één keer aan- en uitgeschakeld kunnen worden per branduur zonder voortijdig stuk te gaan.

Zoeken op het doosje

Het aantal schakelcycli van de compacte fluolampen moet sinds 1 september 2010 samen met heel wat andere basisinformatie verplicht vermeld staan op de verpakking. Zo moet u onder meer de lichtstroom (lumen), het vermogen (W), het energielabel, de afmetingen, bijzondere gebruiksomstandigheden en de website van de fabrikant met specifieke richtlijnen voor het opruimen en recycleren van kapotte of gebroken compacte fluolampen, op de verpakking kunnen terugvinden. Indien van toepassing moet ook de mogelijkheid tot dimmen en de hoeveelheid kwik worden vermeld.
De gemiddelde levensduur van de lamp moet vermeld worden in branduren en is verschillend voor elk type lamp. Wees gewaarschuwd: de gemiddelde levensduur mag u niet letterlijk nemen. De definitie van levensduur wordt berekend op een staal van lampen en komt overeen met het aantal branduren waarbij de helft van die geteste lampen nog brandt. Bij ledlampen ligt dit anders. Hier geldt de brandtijd waarna de ledlamp nog minstens 70 % van haar oorspronkelijke lichtstroom uitstraalt.

Buitenbeentje

Voor de volledigheid geven we mee dat er ook hogedrukontladingslampen bestaan. Die vindt u veelal in winkels terug en niet in woningen. Voordeel van deze hogedrukontladingslampen is dat ze tot vijfmaal zuiniger zijn dan gloeilampen en ze uitgerust kunnen worden met een reflector die toelaat het licht heel precies te richten. Wanneer u het licht uitdoet, moeten de lampen afkoelen (5 à 10 minuten) alvorens u ze opnieuw kunt ontsteken. Niet handig voor de woning dus.

Lichtgevend blokje

Dit brengt ons naadloos bij het laatste nieuwe verlichtingstype, de led of light emitting diode. En eigenlijk mogen we een led geen ‘lamp’ noemen. Een lamp is immers een lichtbron in de vorm van een afgesloten glazen omhulsel of ballon rond een gas, al dan niet met een gloeidraad. Dat heeft u ongetwijfeld onthouden uit de bovenstaande toelichting. Een led voldoet niet aan deze eigenschap, want het is een samenstelling van twee halfgeleiders die licht geeft als er elektriciteit doorstroomt. Een led is dus eigenlijk een blokje vaste stof. Het verbruik van led’s ligt heel laag en ze geven tot 50.000 uren licht. Meer over ledverlichting leest u in het artikel ‘Een schitterende toekomst’ in dit nummer.

Bron: Ik Ga Bouwen - december 2010 - januari 2011

Lees meer:
- Verlichting

Mis de laatste bouwnieuwtjes niet!

Ontvang onze wekelijkse updates vol nuttige tips over bouwen en verbouwen.

Wens je deze folder te lezen? Vul dan eenmalig je email adres in